Het dorp Wolfheze kent maar één winkel: de stationswinkel. Daar kopen de bewoners hun boerenkarnemelk, postzegels en brood, de treinreizigers hun kaartjes, de psychiatrische patiënten van de Gelders Roos hun aftershave, pleisters of rookwaar.
In Amerika was ik al gek op winkels (meestal bij benzinestations) die werkelijk alles verkopen, van medicijnen tot lieslaarzen of maden voor de sportvissers. Als dorpsdichter moest ik wel een klein eerbetoon wijden aan de eigenaar Hans Bennink, die nu zijn winkel aan anderen overdoet en ermee stopt. Met verbazing en bewondering zag ik hem de patiënten met eindeloos geduld helpen met boodschappen uitzoeken en inpakken (hij had in de jeugdzorg gewerkt), al poepte er wel eens een meisje op de grond voor de toonbank. De nieuwe eigenaren zij meteen aan het verbouwen gegaan. Dus een van onze laatste winkels van Sinkel zal ook opstuwen in de vaart der volkeren en wellicht een enge supermarkt worden.
De winkel van Wolfheze
Een winkeltje in het stationsgebouw. Het is Hans Bennink op het lijf geschreven. Een kaartje voor de trein van kwart voor zeven, Een man gluurt rond naar pillen, een stuk touw
maar pakt dan after-shave, een bus cacao, vereisten die hij al heeft neergeschreven. Patiënten moeten voortgaan met hun leven, Hans helpt met ordenen en met gesjouw.
'’t Is mooi geweest.’ Hans Bennink zegt vaarwel. De Sinkel winkel krijgt twee nieuwe bazen. Maar knienenkeutels, ‘t Monopolyspel,
’t Wolfhezer bittertje en de olijven, De boerenkarnemelk, potten en vazen met bloemen voor de deur, die moeten blijven.
Deze regel uit een gedicht van Eva Gerlach is de titel geworden van een bundel met 38 gedichten met natuurfoto's, die Natuurmonumenten heeft uitgegeven voor een bijzondere fietsroute door de natuur van de Zuidwest Veluwe. Een fietskaart is achterin bijgesloten. waarop aangegeven de plekken waar een gedicht gelezen dient te worden (en de natuur bekeken). De gedichten - door de dichters zelf voorgelezen - zijn te beluisteren op de site van Natuurmonumenten:
Mijn gedicht over de Wodanseiken in Wolfheze kun je horen door op nummer 23 te klikken.
Een Wodanseik spreekt
Nee, Wodan heb ik niet gekend. Van Ingen en Mesdag, Mauve, Bilders ken ik goed en ik mocht ze hier herhaaldelijk ontmoeten, terwijl ze werkten aan hun tekeningen.
Het Gelders Barbizon in schilderskringen. Omringd door heide waar de blaarkop wroet en een hazelworm vlucht op verloren voeten. De beek waar soms ranonkels openspringen.
Hier staan de eeuwen. Langzaam word ik oud, stram en vol littekens, een jammerhout, soms toch met jonge scheuten begenadigd.
Mijn ledematen knoestig, schots en scheef, mijn bast door bliksem, storm en wind beschadigd. Dat maakt me allemaal niet uit. Ik leef.
Zondag 9 oktober was de feestelijke presentatie in de Werkschuur van Natuurmonumenten in Oud Reemst, met veel aanwezige dichters én boswachters. Jacques en ik hadden Co Woudsma meegenmomen, die ook een gedicht voor het boek leverde: 'De beken' (op nummer 34). Tot mijn plezier was ook mijn oude vriend (niet zó oud, maar ik ken hem al mijn hele leven) A.L. Snijders aanwezig: hij schreef het voorwoord. AFdH Uitgevers hebben de bundel prachtig vorm- en uitgegeven.
Op de eerste foto staan Co en ik te praten met Adinda Crans, de samenstelster. Op de tweede foto zijn A.L. Snijders en ik jeugdherinneringen aan het ophalen. Er moest natuurlijk ook (in de regen) gewandeld worden, op de derde foto.
Een ansichtkaart die opa Ben Geijsel stuurde aan zijn geliefde Zerline van Uffelen. Vol handtekeningen van beroemdheden uit die tijd zoals C.E.Buziau, Hans Kaart, Willy van Hemert. Maar ook (nu) onbekenden als P.C. Kwadijk, Chr, v.d. Voort, Alma Arymskaja en vooral La belle Ninou...? Het gezelschap maakte een reisje naar Helvoirt op de tandem en ze logeerden in hotel "De zwaan" te Oisterwijk.
Gisteren nam Emile Brugman, oprichter en direkteur van uitgeverij Atlas, afscheid. Er was een hele bus met Belgische auteurs gekomen, zoals Geert van Istendael, Bernard Dewulf e.d. en ook Redmond O'Hanlon met zijn gade was er, uiteraard Geert Mak, Mensje van Keulen, eigenlijk iedereen (zie foto's). We zullen Emile gaan missen. Ook verscheen er een speciale uitgave van het literaire tijdschrift Atlas met herinneringen van auteurs aan Emile en Ellen.
Een bloemlezing uit Boek II van Der Naturen Bloeme - Jacob van Maerlant
Vreemde wezens
Sint Paulus was de eerste kluizenaar. Hieronymus heeft uitgebreid beschreven hoe Sint Antonius door woeste dreven op pad ging naar de heremiet aldaar.
Hij zocht hem in zijn eenzaam leven op. In ’t woud kwam hem een wezen tegemoet en dat liep –zeer wonderlijk- op geitenvoeten en had twee bokkenhorens op zijn kop.
‘Ik ben de bode van mijn metgezellen en net als gij een sterflijk creatuur’, zo sprak het wezen volgens de schriftuur die Sint Hieronymus wist op te stellen.
‘Ik vraag u: bid voor mij en voor de mijnen Tot God, die kwam voor ’s mensen zaligheid. Wij willen immers daarvan het profijt. Het eeuwig leven moet ook ons beschijnen.
Nu schijnt het, volgens deze schone woorden van Sint Hieronymus, dat in dit land aan deze wezens rede en verstand -zoals wij mensen kennen- toebehoorden.
Maar nee, ik zeg u: het is enkel schijn dat zulke beestmensen van Adam stammen, met bokkenpoten, horens als van rammen. Al hebben ze iets menselijks, ze zijn
niet met een ziel bedeeld. Maar ’t is geen wonder dat als beestachtigen zo op de man gelijken, ze van binnen ook zijn van subtielere materie, echter zonder
een ziel die nimmer zal verloren gaan. Dit hebbende gezegd in ’t algemeen, Beschrijf ik nu die wezens een voor een. Hoor mijn relaas van wonderwezens aan:
Bij Jacob van Vitry wordt er beschreven een streek als Amazonia bekend, (die is gelegen in de Oriënt) waar ruim tweehonderdduizend vrouwen leven.
Ze wonen zonder mannen in hun land. Als ze een poos hun land uit gaan vanwege gevechten die ze winnen met veel zege, buigen de mannen vol ontzag in ’t zand.
En zo ontmoeten man en vrouw elkaar. De vrouwen blijven dan een poosje bij ze, ontvangen er een kind op deze wijze, niet vaker echter dan één keer per jaar.
Als ze, weer thuis, een kind hebben gebaard en ’t is een jongetje, blijft hij tot zeven, waarna hij aan zijn pa wordt teruggegeven. Zo blijft hun land van mannen gevrijwaard.
Een meisje houden ze, want deze vrouwen zijn sterker dan de mannen en hier strekt de roofvogel tot voorbeeld, kromgebekt, waar wijfjes ook hun heerschappij ontvouwen.
Dat heeft een reden. Want zo’n sterke aard weerstaat onkuisheid, die de kracht verdrijft, zodat men op de rechte route blijft. Omtrent de amazones wordt verklaard
dat ze ooit woonden in het verre Zweden. Hun mannen werden in de strijd verslagen en uitgeroeid, tot aan ouden van dagen. De vrouwen wreekten ‘t grote leed en
doodden de vijanden, van haat vervuld en vertrokken toen naar Amazonia. De vrouwen zwoeren om nooit meer daarna de macht van mannen over zich te dulden:
de reden dat men er geen mannen vindt. De koene Amazones zijn degenen die met ons vochten tegen Saracenen. Ze zijn de christenen heel welgezind.
We lezen het bij Sint Jeronimus: er is een een wonderbaarlijk volk gevonden waar mensen hoofden hebben als van honden. Ze hebben lange kromme klauwen, plus
hun lichaam is bedekt met beestenvellen. Ze spreken niet, maar blaffen. Bovendien is er een ander raadselvolk gezien dat het met zulk een kleine mond moet stellen
dat voedsel door een rietje wordt geleid. Een volk van menseneters, naar wij horen kan mensen met hun scherpe neus opsporen. Alleen bij een rivier raakt men ‘t spoor kwijt.
De wezens welke Aspirami heten (cyclopen noemt men ze in het Latijn) Bezitten slechts één oog, eer groot dan klein Dat midden in hun voorhoofd is gezeten.
Een volk helaas, heeft slechts één voet. Die voet schijnt wonderbaarlijk groot te zijn en dient als scherm bij felle zonneschijn als hij van ’t vele hoppen rusten moet.
Er zijn ook lui – vertrouw me en geloof ‘t - met ogen in hun schouders. In hun borst twee gaten voor de neus en mond: geschorst is bij die gruwelijke wezens ’t hoofd.
Uitsluitend van de geur van appels leven de mensen die nooit eten. Naar verluidt draagt men op reis een appel voor zich uit want ruiken ze, al is het maar heel even
iets anders, vallen ze ter plekke dood. In India ziet men soms wildemannen met zwijnenharen die hun lijf omspannen. Ze briesen of ze stieren zijn in nood.
In een rivier verwijlen schone wijven. Helaas is er iets akeligs met hun mond: die staat vol tanden, net als bij een hond. Terwijl ook de Pygmeeën hier verblijven.
Men zag nog nooit een volk dat kleiner was, wonend in ‘t Indiaas gebergte daar en ze kunnen al met drie jaar baby’s baren. Met acht jaar zijn ze oud. Dat mensenras,
vecht fel met kraanvogels die ’s morgens vroeg de oogsten pikken van hun akkerweiden. Het schijnt dat er in lang vervlogen tijden ergens een volk leefde dat staarten droeg.
In India vindt men ook mensen waar des nachts hun ogen flonkerend oplichten. Als ze hun helle blik dan op je richten, schijnen twee kaarsjes in een kandelaar.
Vitry zegt: in Europa ligt een land, als daar een moeder baart, is er een stoorlijn: er komt een pad steeds vóór het kind tevoorschijn. Komt er alleen een kind, is dat gênant
want dat betekent dat ze vreemd ging vrijen. Haar man is niet de wettelijke vader. Helaas, een vreemde minnaar is de dader. De streek waar dit gebeurt, is Lombardije.
Sicilië nochtans, heeft een groot woud vlakbij de berg die vuur en lava baart; De Etna heet die op de wereldkaart. Het volk dat zich daar staande houdt
heeft maar één oog, groot als een schild en het zijn lui die langer zijn dan bomen. Slechts vlees en bloed wordt in de mond genomen. Ze zijn boosaardig, schrikaanjagend wild.
Veel wondervolken, vreemde creaturen heb ik in dit boek voor u opgeschreven. Hoe al die vreemde wezens zijn en leven las ik in veel betrouwbare schrifturen.
Ikzelf weet, dat ik eerlijk ben geweest en niets dan de waarheid voor u heb geduid. Of u ’t gelooft of niet, maakt mij niets uit. We gaan nu verder met het boek der beesten.
Acht stoere ruinen van zwartglanzend git trekken gedwee de gulden bonbonnière, die deint achter hun forse derrière. Ze dansen bijna, vlokkend om hun bit.
Gelderse paarden, bles en benen wit. Het ras is braaf, werkwillig (tot dusverre), heeft niet van dat antiautoritaire (een paard is immers anti autorit).
Ze oefenden op ’t strand de dag daarvoor, waar ze rondstapten door rook, geschreeuw, muziek. De paarden draafden verder, onverstoorbaar.
Een schoonmaker veegt mest die is gemorst en krijgt applaus van toekijkend publiek Hij buigt, werpt kushanden. Hij is de vorst.
Patty Scholten (1946) uit: Noem mij dier (2009)
Vandaag staat dit gedicht op de Coster site. De Coster site is opgezet door vrijwilligers van de KB en schenkt u elke dag gratis een gedicht per email. Altijd met informatie over de dichter erbij en vaak met leuke links naar actualiteiten in de poëziewereld. (Gratis) abonneren dus! Het is heerlijk om de dag te beginnen met een gedicht, van Kneppelhout tot Knibbe:
Vandaag was dan eindelijk het embargo opgeheven dat op mijn Airborne gedicht én op het bronzen beeld van Fransje Povel-Speleers rustte: het was 3 september, de dag van de 65ste Airborne wandeling en herdenking van de Slag om Arnhem. Dat embargo was nogal lastig, want eerst maakte ik een gedicht over een heel ander beeld en een ander beeldhouwer: iedereen deed zo geheimzinnig over het te onthullen beeld! Het stelt een soldaat voor met een meisje, dat een zonnebloem gaat brengen op het graf van een gesneuvelde soldaat op de Airborne Cemetary in Oosterbeek. De kunstenares is Fransje Povel-Speleers. Mijn gedicht stond in een mooi boekje dat aan iedereen werd uitgereikt en het komt nog in de krant:
Soldaat met bloemenmeisje
De oude oorlog kleeft nog aan het heden. Tienduizenden volgen de weg terug, lopen beblaard, maar met een rechte rug de route waar zo hard om is gestreden.
De Airborne landingsplaats, waar lang geleden soldaten vochten, sneuvelden. Maar stug verdedigden zij de té verre brug. Wij eren nu hun offers in ’t verleden.
Onthuld wordt Fransje Povel’s beeldhouwwerk: een meisje loopt met een soldaat in pas, een zonnebloem meedragend, naar een zerk.
Ons land verdedigd op het scherpst der snede door strijders die nu rusten in vreemd gras. Zij – dankzij al die doden - kind van vrede.
Op de eerste foto zijn militairen zich achter het Airborne Museum in Oosterbeek aan het verklededen voor de Airborne mars. Op de tweede foto krijg ik een complimentje over mijn gedicht van wethouder Heinrich. Er was nog maar één veteraan gekomen: Johnny Peters, die het figuratieve, bronzen beeld onthulde en op de vierde foto een Engelse vertaling van mijn gedicht staat te lezen, gemaakt door Jesse van Muijlwijk (die Haiku's schrijft en de maker is van de strip De rechter in de GPD-kranten). Hij woont in Canada en hier is zijn Canadese vertaling van mijn gedicht:
Soldier with flower girl
The old war is still tangible today. Tens of thousands are following the track, with blistered feet, still with a straight back the road that took its heavy pay.
The Airborne landing site, where long ago fought and died the soldiers – but tough in war defending the bridge – the bridge too far. We honor now their sacrifices brought.
Unveiled is Fransje Povel’s work of art: a girl accompanies a soldier’s march, carrying a sunflower, towards a graveyard.
Our land defended during times so wild by soldiers resting now in foreign grass. She – thanks to those deceased – of peace a child.
Een url van de foto pagina over het tot stand komen van het beeld van Fransje Povel-Speleers staat hier:
Het programma vande muziekuitvoering, te geven door het Harmonie-Orkest van het Rotterdamse Philharmonisch Genootschap op Zondag 20 Juli in het Park van 3 tot 5 uur, onder leiding van den heer Ben Geijsel, luidt als volgt: 1. Castaldo Marsch. F. Novatjeck; 2. Ouverture Preciosa, C.M. v. Weber; 3. Ich liebe dich Walzer, E. Waldteufel: 4. Ballet Egyptien, A. Luigini; 5. Ouverture „Die Regimentstochter", F. Donnizetti; 6. Czardas aus Der Geist des Woywoden, G. Grossmann; 7. Fantaisie Paljas, arr. A. Seidel, R.Leonvall 8. Manhattan Beauh, Marsch, J. Ph.
Vreemde muziek speelden ze vroeger...
(Deze aankondiging vond ik in het Sociaaldemocratisch Dagblad Voowaarts, 17 juli 1924.
Op de site van het Couperus Genootschap las ik trouwens in een lezing die Maarten Klein gaf op 22 april 2007 in de Waalse Kerk in Den Haag, ook Couperus een concert van Ben Geijsel bezocht heeft: De opvoering staat onder leiding van Albert van Raalte (1890-1952), de man die na de Tweede Wereldoorlog het Radio Filharmonisch Orkest heeft opgericht, of van Ben Geijsel, van wie ik alleen heb kunnen achterhalen dat hij muziek geschreven heeft voor de film Amerikaansche meisjes met onder meer Louis Davids.
Ja, opa componeerde de filmmuziek voor Amerikaansche meisjes in 1918. Ook deze film is nergens meer te vinden. Hoe kan een hele speelfilm zomaar verdwijnen..? Ik zal het filmmuseum eens aanschrijven
Twee mooie artiestenfoto's van mijn oma Catharina Geijsel-Gestman, operazangeres en getrouwd met Ben Geijsel, de General Tonmeister van de Duitse Reichsrundfunk voor de oorlog. Ook in Nederland trad oma regelmatig op.
Ik logeerde heel veel bij haar in Den Haag. Ze gaf toen alleen nog zangles (o.a. aan Bernard Kruysen), Op een zekere dag kleedde oma zich mooi aan, ik mocht mee naar Scheveningen in de open zomertram. Oma was in feeststemming: we gingen naar een kantoor, legde ze uit, waar ze geld zou krijgen. Dit moet een van de eerste keren zijn geweest dat ze AOW kreeg. Lang leve meneer Drees! Daarna was oma iets minder arm.
De protestactie van de stripmakers tegen de kunstbezuinigingen krijgt veel aandacht in de media. Het was al op het NOS radio journaal en op de TV, Trouw komt met een artikel met alle harkpoppetjes erin. Dit is ook een hele mooie van Nozzman.
Mijn collega stripmakers protesteren vandaag in hun dagstrips tegen de bezuinigingen op de kunst, door hun stripfiguren als harkpoppetjes af te beelden. Ook Hanco Kolk (Single), Peter de Wit (Sigmund) en Gerrit de Jager komen met harkpoppetjes. Mijn aandeel is klein (what's in a name), want ik schrijf momenteel geen dagstrip. Ik heb Jesse van Muylwijck (die in Canada woont) op de hoogte gebracht van de actie. Jesse was bang dat een harkpoppetje, getekend door een striptekenaar er toch geolied uit gaat zien en heeft ze daarom voor de zekerheid met zijn linkerhand getekend...
Op 2 juli was er een dorpsfeest in mijn woonstee Doorwerth. De organisatie vroeg me of ik ter plekke een gedicht wilde schrijven en dat als afsluiting voorlezen in mijn functie als dorpsdichter. Ik had al wat andere lokale gedichten uitgezocht om voor te lezen, want het leek me onmogenlijk om in één dag, tussen gekwek met vrienden en bekenden door, ook nog een sonnet te schrijven. Maar om kwart voor vier was het sonnet af en het ging ook nog ergens over, om vier uur las ik het voor. De gemeente Renkum wil dit mooie parkje verwijderen om er parkeerplaatsen aan te leggen, ten faveure van de Lidl en C1000in het winkelcentrum enaast.
Op de eerste foto's zijn de enorme larixen en eiken te zien, die daarvoor moeten verdwijnen. Tegen zonsondergang houden de eksters en kraaien daar in de toppen altijd een speeluurtje voor het slapen gaan.
DORPSFEEST DOORWERTH
(men wil het Van der Molen plantsoen betegelen om er parkeerplaatsen aan te leggen)
We zitten onder larixen en eiken. Nog wel, straks staan hier Ford en Pontiac en mogen we, in plaats van blad en tak, de geur van uitlaatgassen vergelijken.
In kramen kun je sierraden bekijken of babytruitjes en een trappelzak door vrouwen van Het Schild gebreid, tiktak , die blindelings patroonfouten ontwijken.
De jeugd van Doorwerth, barstensvol talent, zingt, speelt en danst op ’t podium. Je bent er welkom, krijgt een knikje of een lach.
Ons Doorwerth, dorp van bosuilen en mensen die hier geen nieuwe autovakken wensen. Uw dorpsdichter sluit een geslaagde dag.
P.S. Het Schild is een blindeninstituut in Wolfheze. Ze hadden op het dorpsfeest een kraam, die vol lang met babytruitjes en ander breisel; tot mijn stomme verbazing door de blinden gemaakt.
Nu in de avond vind ik het (gelegenheids)gedicht niet zo goed meer. Aan de andere kant wist ik niet dat ik het kon: in vier uur een sonnet schrijven, dus weer wat geleerd. Is dit de functie van een dorpsdichter: als een Sinterklaasdichter in de Bijenkorf op bevel gedichten maken? Ik ben erg benieuwd hoe dat verder gaat. Ik ben al gevraagd om de barbecue van de burgemeester en wethouders in juli met gedichten op te leuken. Is een dorps(stads)dichter een soort hofnar, die met grappen en grollen de heerser(s) toch op hun vingers tikt...? In het najaar is de jaarlijkse bijeenkomst van stadsdichters, waar ik al voor ben uitgenodigd. Ik ben erg benieuwd om van mijn collegae te horen hoe die hun functie zien en invullen.
Hier wat foto's van de sonnettenavond van De Rode Hoed j.l. op 24 juni. Een bijzonder mooie en geanimeerde avond. Op de eerste foto ben ik in gesprek met Thomas Möhlmann en Peter Swanborn. Starik las geweldig en zo luid voor, dat omwonende Keizersgrachtbewoners uit hun ramen hingen. Er was veel publiek, een stuk van de Keizersgracht was afgezet en er waren twee veiligheidsagenten (die tot mijn verbazing geboeid naar de gedichten luisterden). Veel eerbetoon aan de 'oude' sonnettendichters zoals Nijhoff, Andreus, Bloem, Achterberg, Dèr Mouw, nieuwe sonnetten werden eigenlijk alleen voorgelezen door Menno Wigman, Jan Kal en mij (maar ik ben misschien te streng in de leer over wat een sonnet mag worden genoemd).