Op 24 juli las ik gedichten voor in Artis op het wasberenveldje. Een 'thuiskomst', in Artis heb ik immers zoveel mooie dagen liggen sinds in daar als volontaire op mijn 16e werkte in het reptielenhuis. De organisatie was uiterst gul met maar liefst tien vrijkaarten, zodat ik veel vrienden in en rond Amsterdam uit kon nodigen. En ze kwamen allemaal: Herman en Mieke van Haasteren, Thé Tjong Khing en Mino Wortel, Inge en Wim Hemker. Last but not least mijn vriend Jacques die jarig was (vandaar de zelfgebakken chocoladetaart met kaarsjes). Het wasberenveldje zat vol bezoekers die uitgebreid picknickten en welwillend naar mijn gedichten luisterden. Een heerlijke avond: een optreden en vriendenreünie tegelijk. Hier de foto's van Wim Hemker: http://inge.hemker.nl/Patty.html
Ik stortte in en vroeg de directeur waarom hij Arend ooit had aangenomen zodat ik, naïef twintig, steeds aan ’t dromen, een chef kreeg met ervaring in terreur.
“Ik geef alleen om mensen, niet hun kleur en niet om politiek. Hij mocht hier komen omdat mijn rechtsgevoel me niet deed schromen,” schreef hij me terug als een volleerd charmeur.
“Tja, Arend was een sukkelaar vol stress, die was gestraft en steeds zichzelf bleef straffen. Denk je in hokjes: NSB, SS,
dan denk je ook in negers en in joden.” Nee directeur, dat is slechts hun komaf en SS-er is een keus. Voor Blut und Boden.
’k Bezocht Den Haag voor Arend landverrader. Een ambtenaar ontving me, bracht me thee, en kwam toen aanlopen met zijn dossier. Eerst keek hij het zelf in. Na wat geblader
kreeg ik het overhandigd. “Met uw vader,” zei hij, “valt het, geloof ik, nog wel mee.” Oh nee. Arend was lid van het - Hou Zee - Commando Pieters, een soort doodseskader.
Ik was misleid, bedrogen door twee gekken: die psychologe en de ambtenaar. Het Jagdkommando Pieters*, zou ’k ontdekken,
getraind in spionneren, liquideren, ging zo te keer in ’t laatste oorlogsjaar dat Willy Lages** hen liet arresteren.
* Drie leden van het SS-Jagdkommando Pieters werden na de oorlog geëxecuteerd: Pieters, Heinemann en Van Zanten. ** hoofd van de Duitse politie in Nederland tijdens de bezetting.
Foto van A.J. Pieters
Zie ook het dossier van de VPRO: http://geschiedenis.vpro.nl/programmas/2899536/afleveringen/24981565/items/25218313/
Het mens zei dat ik niet écht wilde weten wat Arend als SS-er deed. Een bod tot onderzoek kreeg ik zo door mijn strot. Dat ik het aannam, heeft me vaak gespeten.
Ik wist alleen dat hij in Rusland streed en ging informatie vragen bij ’t RIOD. Maar zijn dossier bleef stijf voor me op slot (ook fouten krijgen privacy decreten).
Het Ministerie van Justitie bood de kans ’t dossier te lezen van een dader als die familie van je was en dood.
Ik schreef ze aan en ja, men was akkoord dat ik ’t dossier las van mijn wijlen vader. Ik had gelogen, maar loog echt geen woord.
Zij was een psycholoog met kuiltjes die mijn droeve klachten aan moest horen. Ik bleek flink depressief, kreeg Efexoren, de pillen tegen stress, disharmonie.
’t Was niet de psychologe, noch chemie die me behoedde voor totaal ontsporen. ’t Was dode Arend met zijn Midasoren. Het werk moest af, ondanks mijn apathie.
Als vaandrig en sergeant wist hij van drillen. Hij had me discipline bijgebracht die effectiever bleek dan massa’s pillen.
“Niet kankeren, maar poetsen en niet mauwen.” Ik werkte door – zij het op halve kracht - en door het werk groeide mijn zelfvertrouwen.
Collega’s wisten niets van A.’s verleden, erover praten vond ik ongepast. Ik torste zijn geheim – een loden last –, van iedereen vervreemd en afgesneden.
Zij hadden Arend goed gekend in ’t heden. Ik, trouw tot na de dood, hield mijn hart vast dat hij als ex-SS-er werd bekrast, zodat mijn lippen steeds het woord vermeden.
Recepties, feesten zetten me voor ’t blok waar ’t oude zeer alle plezier verduisterde, zodat ik, soms in tranen, vroeg vertrok.
Ik zonderde me af en ging op pad. Ik groef een kuil in 't riet waarin ik fluisterde dat koning Midas ezelsoren had.
Wat goed en kwaad is, bleek in vredestijd. De kwaden werden snel in kampen opgesloten en streng bewaakt door goede landgenoten. Ook Arend zat daar voor zijn foute strijd.
Maar goed en kwaad kent dubbelzinnigheid. Men ging de mijnbouw voor het land promoten waarbij men fouten strafverlichting bood en zij werden snel tot kompel opgeleid.
Het had me altijd al bevreemd dat Arend als mijnwerker ooit op de zaak kwam met een goede job. Hij zei, weinig verklarend:
“Er waren tachtig mensen voor die baan. Maar ja, die kompel wilden ze nou net.” De direkteur nam de SS-er aan.
Arend had me verlaten en bedrogen en door zijn foute keuze had mijn held ’t SS-insigne op mìjn mouw gespeld. Mijn wereld was verworden tot een loochen.
Ik piekerde me suf met lede ogen. Hij had me achteraf heel veel verteld, maar de gegevens steeds verdraaid vermeld. Hij had maar weinig uit zijn duim gezogen.
Zo ging zijn vader, zei hij, als soldaat vrijwillig in de boerenoorlog vechten en heeft daar later nooit over gepraat.
Maar pausbroer zei: mijn pa ging daar niet heen. Zo moest ik Arend’s raadsels steeds ontvlechten. Hij was het zelf en niets was wat het scheen.
Zijn broer had op een priesterschool gezeten - “Mijn broer studeert voor paus” zei Arend ooit - en had zich daarna tot docent ontplooid. Hij had ook arendsogen, twee magneten.
Van Arend’s werk had hij geen kaas gegeten, dus samen hebben wij die klus gerooid, geschift wat goed was of kon weggegooid. Ik wilde nu van broerlief alles weten.
Hij had een zwaar en moeilijk leven, Arend, omdat hij ooit in vreemde krijgsdienst vocht, vertelde die verdomde paus voortvarend.
Hij dacht misschien dat het me niet zou deren. Ik wist dat liefhebben nu niet meer mocht: SS-ers minnen brengt je pek en scheren.
Toen Arend stierf was ik niet triest, maar woest, vol wrok op wie ik maar schuld aan kon praten. Op Arend zelf die me plots had verlaten. Ik belde zelfs zijn huisarts op. Die moest
alerter zijn geweest op Arend’s hoest. Had hij als arts zoiets niet in de gaten? Nu denk ik: ik was gek, in alle staten. De arts deed stekelig, was not amused.
Nog op de uitvaart gistte ik van woede. Collega’s schoten vol toen ze me zagen. Ik liet geen traan maar alles schrijnde, bloedde.
In stoet achter de kist. Ik was te laf: ik had de kist mee willen helpen dragen, als sati mee afdalen in het graf.
Hij vreesde slechts verval, ontluistering. Hij wilde in het ziekenhuis niet blijven Tussen de bange, uitgeteerde lijven en weigerde elke behandeling.
Niet therapietrouw heet dat, dus hij ging gewoon naar huis - men moest niet overdrijven - een borrel drinken en misschien iets schrijven, totdat hem ’s nachts een longbloeding beving.
Ik belde op. Zijn stem klonk vreemd en zacht. Het bleek dat ik zijn broer had aan de lijn. Arend was overleden in de nacht.
Ik haastte me erheen. Men had heel snel de wereld omgeverfd. De zonneschijn beet honend naar me, hatelijk en schel.
De artsen wilden verder onderzoeken. Bij Arend was een tumor vastgesteld vertelde hij, toen ik had opgebeld. Ik was van streek en liep hardop te vloeken.
Ik ging hem in zijn boerderij opzoeken. Hij bleef zichzelf - nog steeds de stoere held - Het was geen ramp, werd ik gerustgesteld. Hij deed me bij een borrel uit de doeken
dat hij niet bang was om te sterven. Bij het leven hoort de dood, vreugde en rouw. De rollen keerden om, hij troostte mij.
Zijn handen om mijn hoofd. “Patty, Jij bent de liefste, fijnste, intelligentste vrouw die ik ooit in mijn leven heb gekend.”
Een hippie was aan ‘t feesten, blowen, kraken, het laatste waar hij zin in had, was werk. In vrijheid feesten was het handelsmerk, verderfelijke woorden: geld en zaken.
Het was een wonder dat ik werk kon maken in die tijd van gezwier onder het zwerk. Ik kreeg genoeg van Bertus, Hans en Tjerk, vrijblijvend vrijen en de nacht doorwaken.
Een nieuwe vriend deed anderen verbleken. Hij werd de ridder op het witte paard die hippisch me van Arend los zou weken.
We gingen Amsterdam uit, woonden buiten. Mijn zwak voor Arend had ik doodverklaard. Een ijdel plan om zoiets te besluiten.
Het was niet zaligmakend, ’t hippieleven. Naar Arend bleef ik rondvrijend verlangen. Hij had mijn hart dan wel ontvangen, maar was vergeten om het terug te geven.
Het werk bleef ons verbinden. Soms, heel even deed hij verliefd, switchte naar ratelslang en terug, van die getikte overgangen waardoor ik in mijn schulp werd teruggedreven.
Ik vroeg: “Waarom doe je zo nors en nukkig?” “’k Knap op een vrouw af, wil haar nooit meer zien, daarom ben ik ook niet getrouwd misschien,”
zei hij. “Ik maak een vrouw doodongelukkig.” Dat klopte. Toch bleef hij een kruising van mijn nieuwe Vader, God en Superman.
Op de eerste foto is Driek van Wissen in gesprek met Jan Boerstoel en Jean Pierre Rawie, op de tweede foto zit Driek tussen mij en Frank van Pamelen in aan het jaarlijkse dichtersdiner in de bibliotheek Almelo, maart 2010.
Tot mijn schrik en verdriet hoorde ik, dat mijn goede vriend en collega Driek van Wissen is overleden 0p 20 mei. In Istanbul nog wel; er zijn slechtere plekken om te sterven. Misschien gebeurde het wel in de Aya Sofia, een kashba of in de harem van het Topkapi paleis.
Driek was een goede vriend en collega van me. We zagen elkaar regelmatig en stuurden elkaar onze nieuwe bundels. Als antwoord op mijn bundel Ongekuste kikkers schreef hij: "Het zijn mooie sonnetten met superieure en vaak geeestige beeldspraak. Je kunt heel goed kijken. Maar wellicht nog treffender dan je dierengedichten waren je mensengedichten (b.v. Oude dames en de moedergedichten). Dus dat kun je ook. Gelukkig maar, want straks zijn de dieren op." Ik heb de allereerste pennen van Driek nog meegemaakt, aan de start van zijn campagne om tot Dichter Des Vaderlands gekozen te worden. Hij bood me er galant een aan met de tekst: "Wie zelfstandig kan beslissen/in de jaren des verstands/ kiest er voor dat Driek van Wissen/ dichter wordt des vaderlands"." Ik legde hem uit dat pennen rond delen niet genoeg was voor een verkiezing tot Dichter des Vaderlands (ik was dat jaar ook genomineerd): je moest een website hebben bij de Koninklijke Bibliotheek en er moest een gedicht van je door Pieter Steinz in NRC gepubliceerd worden. Driek bleek dat een paar weken later allemaal geregeld te hebben en voila, de uitslag is bekend.
Wat me erg stak, was de minachting waarop Driek als DDV soms werd onthaald. Rijmelarij, geen echte dichter, noem maar op. Driek was een bard, een minstreel, een beminnelijk mens en hij schreef goede, vormvaste gedichten, waaronder een aantal hele mooie. Welke dichter heeft alleen meesterwerken geschreven? Iedereen kent De tuiman en de dood van P.N. van Eyck. Kees Stip, die erg van dit gedicht hield, ging zijn volledige werk lezen en zei later ontzet tegen me: "Het viel niet mee...dat was het enige mooie gedicht dat Van Eyck ooit geschreven heeft!"
Hier een van de m.i. mooiste sonnetten van Driek van Wissen:
JORIS
Ik heb vanavond met de poes op schoot, de onrust uit het beestje weggestreken, waarbij de goedzak mij heeft aangekeken met ogen zo onpeilbaar diep en groot, dat het mij één moment heeft toegeleken als was hij eeuwenlang al deelgenoot van het geheim van leven en van dood en nu dan op het punt stond om te spreken.
Een aandrang, waar hij niet voor is bezweken, omdat hij langzaamaan de ogen sloot en nog een lome haal gaf met zijn poot als halve aai en onzachtzinnig teken dat men hem ooit nadrukkelijk verbood het zwijgen rond die zaken te verbreken.
Uit: De volle mep, gedichten 1978-1987 Uitgeverij Bert Bakker
Wat de meeste lezers niet op zal vallen is, dat dit Petrarca sonnet uit maar twéé zinnen bestaat: het oktaaf en het sextet zijn beide een lange zin. En dat Driek maar twéé rijmklanken in het hele gedicht gebruikt, terwijl er toch nergens sprake is van rijmdwang. OOk de chute of volta tussen oktaaf en sextet is perfect.
Driek van Wissen bedacht een nieuwe dichtvorm, de z.g. sonnettette. Een ingekort sonnet (een kwatrijn en twee op elkaar rijmende slotregels)op de actualiteit. Hij schreef ze wekelijks voor het Groninger Dagblad en elke jaarwisseling stuurde hij een bundeling van de beste sonnettettes aan vrienden en relaties. Dit is een (nu erg toepasselijke) sonnettette uit het boekje van 2009:
Met een been in het graf
Op mijn verjaardag overlijdt mijn voorganger als Dichter des Vaderlands, Simon Vinkenoog, aan een hersenbloeding
Toen Simon, nadat hij was overleden, raar hinkend voor Gods rechterstoel verscheen zei hij: “Ik mis helaas mijn rechterbeen, maar anders was ik voor u opgetreden.”
Toen sprak de Heer: “U kunt meteen beginnen: Dat been is goddank al een tijdje binnen!”
Uit: Het jaar 9
Onderstaand sonnet maakte ik in 2005 voor NOS verkiezingsavond van de nieuwe Dichter des Vaderlands (ik hoopte/verwachtte al stilletjes dat het Driek zou zijn):
DICHTER DES VADERLANDS
Hij dicht van vuurwerkramp naar schietpartij terwijl hij van een eeuwig lief wou dromen. De volle maan is zilver opgekomen maar nee, de dichter moet weer op karwei.
Een koninklijke uitvaart, trouwerij. Een TBS’er heeft de vlucht genomen. Collega's staan te wenen onder bomen, hij hoort daar lange jaren niet meer bij.
Maar iedereen wil verzen, vroeg of laat zich koesteren in een poëtisch woord. Het nieuws is taai, gortdroog en vaak aftands.
Dus zing ons van de liefde en de haat, als compromis een mooie passiemoord. Sonnetten graag, Dichter des Vaderlands!
Boer Bertus, lange Simon, Zweedse Peer, ik had zovele vrienden in de nacht, ’k werd altijd wel door hippies thuisgebracht. Ze waren heer in het geslachtsverkeer.
Vriend Guus was aanhanger van Mao’s leer. Al was hij vriendelijk, bedeesd en zacht, hij leerde me dat politieke macht altijd komt uit de loop van een geweer.
Daar keek ik, VVD-kind, wel van op. Gearmd in een protestmars, kreeg Guus klop van een misnoegde wapenbroeder.
Hij was een lieverd, maar ik knapte af toen hij me plotseling een koosnaam gaf. Bij ’t minnespel zei hij vertederd: “moeder.”
Het was zo simpel. Iemand had besloten: we gaan nu vreedzaam houden van elkaar. Als teken gold het groeien van je haar, daarmee herkende je snel soortgenoten.
En wie dat wilde, mocht zich best ontbloten. Seks was plezier, elk paar was stapelbaar, Merkkleding dragen was not done, vandaar dat meisjes verfstof op hun kleren goten.
En vrijen was niet langer iets discreets, geen oude, stijve normen alsjeblieft. We waren aan de pil, er was geen aids.
Er golden twee taboes bij dat gevrij: Jaloers zijn mocht niet, je werd niet verliefd. Ach ja, ik was het meestal allebei.
De hippiejaren kwamen als geroepen, net als mijn oma’s kanten tafelkleed. Een gat erin, mijn hoofd erdoor, gereed te beesten in de flowerpower groepen.
’k ging naar de Tichel, Okshoofd of De Stoep en daar vond ik nieuwe vrienden bij de vleet. We deelden joints, het bed en lief en leed. Het was een wilde tijd. Maar mijn beroep en
een strenge baas hielden me in ’t gareel. Ik moest mijn werk af hebben, punctueel, en naar de studio. Op taalgebied
sprak ik nu weer een ander dialect, met “cool, te gek man, weet je wel” doorspekt. Arend zei narrig: “Ik versta je niet.”
Een echte vent is niet de vechtjas die vol nijd tot alfaman te groeien tracht. Hij is al uitgevochten, heeft de macht, is moedig, vriendelijk, kent sympathie
voor wie zich opknokt in de hiërarchie. Hij is geliefd bij ’t vrouwelijk geslacht en hoeft maar uit te kiezen in de nacht. Wij zijn immers der apen evenknie.
Ik voelde me geborgen en beschermd toen Arend zich over me had ontfermd. Op feesten was ik altijd aan zijn zij.
Netwerken deed hij niet, hij nam een stoel en keek ironisch naar het strijdgewoel van apen, vechtend om de heerschappij.
Er was iets vreemds met Arend, ’k wist niet wat. Het kozen duurde altijd maar heel even. Plots deed hij koel, of ik iets had misdreven. Zijn stemming draaide om als espenblad.
Ik moest naar huis vond hij, hij was me zat. Dan streelde, kuste hij me weer, gedreven. Zo ging het op en neer. Dit zielenleven begreep ik niet: het spel van muis en kat?
Het slot van ’t lied was altijd in mineur. Ik huilde desolaat en opgebrand en Arend bracht me zwijgend naar de deur.
Ik werd gehersenspoeld, denk ik nu af en toe. Dat leerde hij in ’t leger als sergeant. Maar ’k bleef verliefd tot aan gekwordens toe.